De zaak betreft Stichting Sociaal Fonds, opgericht door erfgenamen die 20% van verkoopvorderingen wilden besteden aan goede doelen in Brazilië en Paraguay. De stichting werd in 2008 als ANBI erkend. Bij een controle in 2011 bleek dat vanaf 2008 geen jaarstukken waren opgesteld en dat de administratie geen inzicht gaf in de bestedingen aan de goede doelen.
De Inspecteur trok de ANBI-status per 1 januari 2008 met terugwerkende kracht in wegens het niet voldoen aan de administratieve vereisten volgens de Uitvoeringsregeling AWR. Het Gerechtshof Amsterdam bevestigde deze intrekking, oordeelde dat de administratie onvoldoende inzicht bood en wees het aanbod van belanghebbende om getuigen te horen af, omdat deze verklaringen de administratieve tekortkomingen niet konden compenseren.
De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep ongegrond, bevestigde het oordeel van het Hof en benadrukte dat gebreken in de administratie niet kunnen worden hersteld door getuigenverklaringen. Tevens werd het beroep op het vertrouwen dat was gewekt door eerdere beschikkingen verworpen. De Hoge Raad legde geen proceskosten op en bevestigde daarmee de rechtmatigheid van de intrekking van de ANBI-status.