In deze prejudiciële beslissing heeft de Hoge Raad zich gebogen over de vraag of het kindgebonden budget, inclusief de alleenstaande ouderkop, moet worden meegerekend als inkomen van de alimentatiegerechtigde bij de vaststelling van partneralimentatie. De zaak betrof een verzoek tot verhoging van partneralimentatie waarbij de man betoogde dat het ontvangen kindgebonden budget de behoefte van de vrouw aan alimentatie vermindert.
De Hoge Raad verwijst naar eerdere jurisprudentie en de parlementaire geschiedenis van het kindgebonden budget, waarin is vastgesteld dat dit budget een inkomensafhankelijke overheidsbijdrage is bedoeld ter ondersteuning van de kosten van kinderen. Het budget is niet bedoeld om in de eigen kosten van de alimentatiegerechtigde te voorzien.
De Hoge Raad bevestigt dat het kindgebonden budget bij de vaststelling van de behoefte aan partneralimentatie buiten beschouwing moet blijven, ook als het bedrag het aandeel van de alimentatiegerechtigde in de kosten van de kinderen overstijgt. Dit volgt uit het subsidiaire karakter van het budget en de noodzaak dat de bijdrage geheel aan de kosten van de kinderen wordt besteed.
De uitspraak sluit aan bij eerdere beslissingen waarin soortgelijke inkomensafhankelijke toeslagen, zoals huurtoeslag, anders worden behandeld. De Hoge Raad wijst erop dat het kindgebonden budget wel bij de draagkrachtvergelijking kan worden betrokken, maar dat dit niet mag leiden tot een vermindering van de behoefte aan partneralimentatie. De beslissing is uitgesproken door de vice-president en vijf raadsheren op 7 juli 2017.