Uitspraak
1.De bestreden uitspraak
3.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
4.Beslissing
4 juli 2017.
Hoge Raad
De zaak betreft het cassatieberoep van een benadeelde partij tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag waarin haar vordering in het strafgeding niet-ontvankelijk werd verklaard. De Hoge Raad overweegt dat de wet geen regeling bevat die het instellen van cassatieberoep door een benadeelde partij toestaat indien haar vordering door het hof is afgewezen en noch verdachte noch het openbaar ministerie cassatie heeft ingesteld.
De Hoge Raad benadrukt dat het ontbreken van een dergelijke voorziening een bewuste keuze van de wetgever is, en dat het openen van cassatieberoep voor benadeelde partijen buiten de rechtsvormende taak van de Hoge Raad valt en aan de wetgever moet worden overgelaten. Tevens wordt gewezen op een aangekondigd wetsvoorstel dat hierin verandering kan brengen.
Verder wordt geoordeeld dat het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en het Unierecht de benadeelde partij geen recht geven op cassatieberoep in deze situatie. Het beroep op discriminatieverboden faalt omdat slachtoffers ook civielrechtelijke procedures kunnen voeren voor schadevergoeding.
Ook de rechtstreekse werking van art. 16 van Pro Richtlijn 2012/29/EU wordt verworpen als grond voor cassatieberoep. Het verzoek om prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de EU wordt afgewezen. De Hoge Raad verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het cassatieberoep.
Uitkomst: De benadeelde partij wordt niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van haar vordering door het hof.