Belanghebbende was werkzaam bij een taxibedrijf en had in zijn aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor 2009 bedragen aan ingehouden loonheffing en loon opgegeven afkomstig van drie payrollbedrijven. Deze bedrijven hadden naheffingsaanslagen loonheffing opgelegd gekregen wegens het niet doen van aangiften of het niet afdragen van loonheffing, waarvan sommige aanslagen later tot nihil werden verminderd.
Het geschil betrof de vraag of belanghebbende de in zijn aangifte vermelde loonheffing mocht verrekenen met de aanslag IB/PVV 2009, met name of loonheffing die in een naheffingsaanslag was opgelegd maar vervolgens tot nihil was verminderd, als 'verschuldigd' kon worden aangemerkt in de zin van artikel 3.84 Wet IB 2001. Het hof oordeelde dat dit niet het geval was.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verduidelijkte dat de vrijstelling in artikel 3.84 Wet IB 2001 bedoeld is om dubbele heffing te voorkomen en dat het begrip 'verschuldigd' moet worden opgevat als een formele verschuldigdheid die bestaat ten tijde van het opleggen van de aanslag IB/PVV. Loonheffing die in een naheffingsaanslag is vernietigd of verminderd tot nihil valt niet onder deze vrijstelling.
De overige middelen van belanghebbende werden verworpen zonder nadere motivering. De Hoge Raad verklaarde het beroep in cassatie ongegrond en wees geen proceskosten toe.