Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Beoordeling van het eerste middel
5.Slotsom
6.Beslissing
11 juli 2017.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch waarin hij was veroordeeld voor een overtreding van de Opiumwet. De Hoge Raad oordeelt dat het beroep voor het onderdeel van de overtreding niet-ontvankelijk is omdat beroep in cassatie tegen dat feit niet openstaat.
Verder stond ter discussie of het hof terecht het adres van verdachte had vastgesteld voor de betekening van de appeldagvaarding. De Hoge Raad bevestigt dat het hof terecht heeft geoordeeld dat het later opgegeven adres van verdachte het eerdere adres heeft achterhaald, mede omdat de raadsman heeft verklaard dat hij de verdachte tevergeefs op het eerdere adres heeft aangeschreven.
Daarnaast is geoordeeld dat de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 EVRM Pro is overschreden in de cassatiefase door late verzending van stukken en de lange duur van de procedure. Dit leidt tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf met zes maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. De Hoge Raad vernietigt het bestreden arrest voor zover het de strafduur betreft en wijst de zaak terug voor hernieuwde berechting op dat punt. Voor het overige wordt het beroep verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad vermindert de gevangenisstraf wegens overschrijding van de redelijke termijn en verklaart het cassatieberoep niet-ontvankelijk voor het onderdeel overtreding.