Uitspraak
gevestigd te Maastricht,
zetelende te Maastricht,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
14 juli 2017.
Hoge Raad
Veolia Transport Limburg was concessiehouder voor het treinvervoer op de Maaslijn en Heuvellandlijn tot 2016. Op grond van de concessieovereenkomst was Veolia verplicht NS-kaartautomaten beschikbaar en bedrijfsklaar te houden, waarvoor de provincie Limburg een vergoeding zou betalen. Vanaf 2009 stopte de provincie met deze betalingen.
Veolia vorderde in de procedure vergoeding van €1.563.408,55 voor de jaren 2009 tot en met 2011, stellende dat de provincie op grond van de overeenkomst en het feit dat de OV-chipkaart pas in juli 2011 algemeen werd ingevoerd, gehouden was tot betaling. De rechtbank wees de vordering af en het hof bekrachtigde dit oordeel.
Het hof oordeelde dat uit de regelgeving en beleidsstukken bleek dat de rijksbijdrage voor NS-kaartautomaten was beëindigd en niet was opgenomen in de brede doeluitkering (BDU) verkeer en vervoer. Brieven van het ministerie bevestigden dit. Een brief die een andere uitleg suggereerde werd niet als juist beschouwd.
In cassatie klaagde Veolia over een onjuiste uitleg van het Besluit BDU verkeer en vervoer en de uitvoeringsregelingen. De Hoge Raad volgde de conclusie van de Advocaat-Generaal en verwierp het cassatieberoep. Veolia werd veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.
De Hoge Raad bevestigt daarmee dat de provincie Limburg geen vergoeding verschuldigd is voor het in stand houden van NS-kaartautomaten in de jaren 2009-2011.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de provincie Limburg geen vergoeding verschuldigd is voor NS-kaartautomaten 2009-2011.