Uitspraak
wonende te [woonplaats],
wonende te [woonplaats],
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
14 juli 2017.
Hoge Raad
De man en vrouw zijn gehuwd geweest en hebben hun huwelijk op 10 september 2014 ontbonden. In het echtscheidingsconvenant is partneralimentatie vastgesteld van €400 per maand, met wettelijke indexering. De man verzocht de alimentatie met ingang van 15 oktober 2014 geheel of gedeeltelijk op nihil te stellen, stellende dat de omstandigheden waren gewijzigd en hij niet meer aan de verplichting kon voldoen.
De rechtbank wees dit verzoek af en het hof Arnhem-Leeuwarden bekrachtigde deze beslissing. Het hof vond dat de man onvoldoende inzicht had gegeven in zijn eigen financiële situatie en dat de vrouw niet volledig in haar levensonderhoud kon voorzien. De man stelde tijdens de mondelinge behandeling dat de behoeftigheid van de vrouw was afgenomen tot €130 per maand, maar dit is door het hof niet meegenomen.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof deze minder verstrekkende stelling kennelijk over het hoofd heeft gezien en daardoor een onbegrijpelijk oordeel heeft gegeven. De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden en verwijst de zaak naar het hof ’s-Hertogenbosch voor verdere behandeling en beslissing, waarbij de gewijzigde behoeftigheid van de vrouw adequaat moet worden beoordeeld.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak naar het hof ’s-Hertogenbosch voor verdere behandeling.