Belanghebbende, een bedrijf dat werknemers begeleidt van een uitkeringssituatie naar regulier werk, had in de jaren 2009-2013 de afdrachtvermindering startkwalificatie toegepast zonder de vereiste schriftelijke verklaringen van het UWV en onderwijsinstellingen. De Belastingdienst legde naheffingsaanslagen en vergrijpboeten op.
Het Hof Den Haag oordeelde dat belanghebbende grove schuld had omdat zij zich niet tijdig op de hoogte had gesteld van de formele voorwaarden voor de afdrachtvermindering, ondanks dat de aangiften waren verzorgd door een deskundige adviseur. Het Hof vond geen pleitbaar standpunt en wees het beroep af.
In cassatie stelde belanghebbende dat zij wel op de hoogte was van de formele voorwaarden en dat er sprake was van een pleitbaar standpunt vanwege onduidelijkheid over de toepassing. De Hoge Raad oordeelde dat de formele voorwaarden betrekkelijk eenvoudig zijn en dat het standpunt van belanghebbende niet pleitbaar was. Wel stelde de Hoge Raad vast dat het arrest BNB 2009/114, waarin wordt bepaald dat een belastingplichtige die zich laat bijstaan door een deskundige adviseur niet zelf alle inhoudelijke aspecten hoeft te kennen, ook geldt voor formele voorwaarden.
Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest van het Hof en verwees de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam voor een nieuwe beoordeling van de vergrijpboeten, met inachtneming van dit arrest. Tevens werd de Staatssecretaris veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende.