ECLI:NL:HR:2017:170

Hoge Raad

Datum uitspraak
7 februari 2017
Publicatiedatum
7 februari 2017
Zaaknummer
15/02733
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 437 lid 2 SvArt. 511h Sv
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring van betrokkene in cassatie wegens ontbreken middelen

Betrokkene heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag inzake ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Echter heeft betrokkene niet binnen de wettelijke termijn door een raadsman een schriftuur met middelen van cassatie ingediend, zoals vereist volgens art. 437 lid 2 jo Pro. art. 511h Sv.

De Advocaat-Generaal concludeerde daarom tot niet-ontvankelijkverklaring van betrokkene in het cassatieberoep. De Hoge Raad volgt deze conclusie en verklaart betrokkene niet-ontvankelijk.

De uitspraak is gedaan door de Strafkamer van de Hoge Raad op 7 februari 2017, waarbij de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter en raadsheren Y. Buruma en V. van den Brink het arrest hebben gewezen. De zaak betreft een cassatieprocedure zonder inhoudelijke beoordeling van de zaak wegens procedurele niet-ontvankelijkheid.

Uitkomst: Betrokkene wordt niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens het niet indienen van middelen binnen de wettelijke termijn.

Uitspraak

7 februari 2017
Strafkamer
nr. S 15/02733 P
AGE/SG
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 11 juni 2015, nummer 22/000632-14, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:
[betrokkene], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Middelen van cassatie zijn namens deze niet voorgesteld.
De Advocaat-Generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de betrokkene in het beroep.

2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

Nu de betrokkene niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is niet in acht genomen het voorschrift van art. 437, tweede lid, in verbinding met art. 511h van het Wetboek van Strafvordering, zodat de betrokkene in het beroep niet kan worden ontvangen.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart de betrokkene niet-ontvankelijk in het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier L. Nuy, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
7 februari 2017.