Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Slotsom
5.Beslissing
3 januari 2017.
Hoge Raad
De verdachte werd in hoger beroep veroordeeld voor het bezit van heroïne en versnijdingsmiddelen in zijn auto, met een gevangenisstraf van twaalf maanden. In cassatie werd het beroep van de verdachte behandeld, waarbij de Advocaat-Generaal een vermindering van de straf adviseerde.
De Hoge Raad oordeelde dat het eerste middel van de verdachte niet tot cassatie kon leiden en dat geen nadere motivering nodig was. Wel werd vastgesteld dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM was overschreden doordat de stukken te laat door het hof waren ingezonden en de uitspraak meer dan twee jaar na het instellen van het cassatieberoep volgde.
Dit leidde tot een vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van twaalf maanden tot tien maanden en drie weken. Het beroep werd voor het overige verworpen en de rest van het arrest bleef in stand.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot tien maanden en drie weken wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatie.