Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
5 september 2017.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van betrokkene tegen een uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch inzake een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Betrokkene heeft geen middelen van cassatie ingediend binnen de wettelijke termijn, waardoor het beroep niet ontvankelijk is.
De Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van betrokkene. De Hoge Raad heeft vervolgens beoordeeld dat het voorschrift van artikel 437, tweede lid, in verbinding met artikel 511h van het Wetboek van Strafvordering niet is nageleefd. Dit leidt ertoe dat betrokkene niet in het beroep kan worden ontvangen.
De Hoge Raad heeft daarom het beroep niet-ontvankelijk verklaard en het arrest vastgesteld op 29 augustus 2017. De uitspraak is gedaan door de vice-president en twee raadsheren tijdens een openbare terechtzitting op 5 september 2017.
Uitkomst: Betrokkene is niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens het niet indienen van middelen van cassatie.