Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
10 januari 2017.
Hoge Raad
De verdachte heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Echter heeft hij niet binnen de wettelijke termijn door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie ingediend, zoals vereist volgens artikel 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.
De Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het beroep. De Hoge Raad heeft dit advies gevolgd en de verdachte niet-ontvankelijk verklaard omdat het wettelijke voorschrift niet is nageleefd.
Het arrest is gewezen door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad en uitgesproken tijdens een openbare terechtzitting op 10 januari 2017. Hierdoor is het cassatieberoep van de verdachte niet-ontvankelijk verklaard en wordt het arrest van het hof in stand gelaten.
Uitkomst: De verdachte is niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig indienen van cassatiemiddelen.