ECLI:NL:PHR:2016:1311

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
22 november 2016
Publicatiedatum
10 januari 2017
Zaaknummer
15/02325
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 435 SvArt. 437 Sv
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid verdachte in cassatie wegens niet tijdig indienen middelen

De verdachte is door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier weken wegens poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen met braak. Tevens is een schadevergoedingsmaatregel van €1.250,- opgelegd.

Tegen dit arrest is beroep in cassatie ingesteld, maar de verdachte heeft niet binnen de wettelijke termijn van twee maanden na aanzegging op 9 maart 2016 schriftelijk middelen van cassatie ingediend. De termijn liep af op 7 maart 2016.

Omdat de middelen niet tijdig zijn ingediend, kan de Hoge Raad de verdachte niet in cassatie ontvangen. De conclusie van de Procureur-Generaal is dan ook dat de Hoge Raad de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in het cassatieberoep.

Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in cassatie wegens het niet tijdig indienen van middelen.

Conclusie

Nr. 15/02325
Zitting: 22 november 2016
Mr. T.N.B.M. Spronken
Conclusie inzake:
[verdachte]
De verdachte is bij arrest van 1 mei 2015 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, wegens “poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier weken. Het hof heeft in het genoemde arrest daarnaast de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 1.250,- en aan de verdachte voor datzelfde bedrag een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
Deze zaak hangt samen met de zaak tegen de verdachte die onder nr. 15/03063 bij de Hoge Raad aanhangig is. In deze laatste zaak zal ik vandaag ook concluderen.
Namens de verdachte is tegen het arrest van het hof van 1 mei 2015 beroep in cassatie ingesteld.
De aanzegging als bedoeld in art. 435 Sv Pro is op 9 maart 2016 aan de verdachte betekend. De in art. 437, tweede lid, Sv gestelde termijn van twee maanden liep af op 7 maart 2016. Er is gedurende deze termijn geen schriftuur houdende middelen van cassatie binnengekomen. Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, kan hij ingevolge art. 437, tweede lid, Sv niet in zijn cassatieberoep worden ontvangen.
Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in het ingestelde cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG