Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Slotsom
12 september 2017.
Hoge Raad
De zaak betreft het beroep in cassatie van een verdachte die door het hof was veroordeeld voor medeplichtigheid aan diefstal en terzake een gevangenisstraf van drie weken opgelegd kreeg, naast de last tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van vier weken. Het hof oordeelde dat art. 22b Sr de omzetting van de voorwaardelijke gevangenisstraf in een taakstraf in de weg stond.
De Hoge Raad stelt vast dat uit het Justitiële Documentatie-uittreksel en andere stukken niet blijkt dat de verdachte in 2012 een taakstraf heeft uitgevoerd, zoals het hof had aangenomen. Hierdoor is het oordeel van het hof onjuist en moet het arrest worden vernietigd voor zover het de strafoplegging betreft.
De Hoge Raad volgt de conclusie van de Advocaat-Generaal die vernietiging en terugwijzing adviseerde, zodat het hof Arnhem-Leeuwarden de zaak opnieuw moet beoordelen en afdoen. Voor het overige wordt het cassatieberoep verworpen. De uitspraak is gewezen door de vice-president en twee raadsheren op 12 september 2017.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd voor zover het de strafoplegging betreft en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.