ECLI:NL:HR:2017:2331

Hoge Raad

Datum uitspraak
15 september 2017
Publicatiedatum
14 september 2017
Zaaknummer
14/02778
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Uitspraak na prejudiciële beslissing
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 32 lid 1 aanhef en letter e onder i en ii CDWVerordening (EEG) nr. 2913/92
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van kosten van vervoer en winstopslag bij douanewaardebepaling

In deze zaak stond centraal of de door een expediteur aan de importeur in rekening gebrachte toeslag, die samenhangt met de winst en de organisatiekosten van het vervoer van goederen naar het douanegebied van de Unie, als onderdeel van de kosten van vervoer moet worden beschouwd voor de vaststelling van de douanewaarde.

De Hoge Raad verwees in een eerder arrest een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, dat op 11 mei 2017 oordeelde dat deze toeslag inderdaad onder de kosten van vervoer valt zoals bedoeld in artikel 32, lid 1, onder e), i), van het communautair douanewetboek.

Naar aanleiding van dit arrest heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie van belanghebbende tegen het oordeel van het Gerechtshof Amsterdam ongegrond verklaard. De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht de kosten en winstopslag van de expediteur als kosten van vervoer heeft meegeteld bij de douanewaarde.

De Hoge Raad wees verder af om proceskosten toe te wijzen en bevestigde hiermee de rechtspraak inzake de interpretatie van de douanewetgeving in lijn met het EU-recht.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de kosten van vervoer inclusief winstopslag worden bij de douanewaarde betrokken.

Uitspraak

15 september 2017
nr. 14/02778bis
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
The Shirtmakers B.V.te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Amsterdamvan 17 april 2014, nrs. 12/00572 en 12/00573, na beantwoording van de door de Hoge Raad aan het Hof van Justitie van de Europese Unie gestelde vraag.

1.Geding in cassatie

Voor een overzicht van het geding in cassatie tot aan het door de Hoge Raad in dit geding gewezen arrest van 29 januari 2016, nr. 14/02778, ECLI:NL:HR:2016:133, BNB 2016/102, wordt verwezen naar dat arrest, waarbij de Hoge Raad aan het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft verzocht een prejudiciële beslissing te geven over de in dat arrest geformuleerde vraag.
Bij arrest van 11 mei 2017, The Shirtmakers B.V., C‑59/16, ECLI:EU:C:2017:362, BNB 2017/147, heeft het Hof van Justitie, uitspraak doende op die vraag, voor recht verklaard:
“Artikel 32, lid 1, onder e), i), van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek moet aldus worden uitgelegd dat het begrip „kosten van vervoer” in de zin van die bepaling zich uitstrekt tot de door de expediteur aan de importeur in rekening gebrachte toeslag die overeenkomt met de winst en de kosten van die expediteur in verband met zijn organisatie van het vervoer van de ingevoerde goederen naar het douanegebied van de Unie.”
De Staatssecretaris heeft schriftelijk gereageerd op dit arrest.

2.Nadere beoordeling van het middel

2.1.
Het middel betoogt dat het Hof ten onrechte de door [X2] B.V. aan belanghebbende in rekening gebrachte kosten voor het organiseren van het vervoer van de textielgoederen naar het douanegebied van de Unie alsmede de daarbij aan belanghebbende in rekening gebrachte winstopslag heeft beschouwd als kosten van vervoer in de zin van artikel 32, lid 1, letter e, onder i, van het Communautair douanewetboek (hierna: het CDW) die voor de vaststelling van de douanewaarde van de textielgoederen in aanmerking moeten worden genomen.
2.2.
In het hiervoor in onderdeel 1 vermelde arrest heeft het Hof van Justitie verduidelijkt dat het begrip kosten van vervoer in de zin van artikel 32, lid 1, letter e, onder i, van het CDW zich uitstrekt tot de door de expediteur aan de importeur in rekening gebrachte toeslag die overeenkomt met de winst en de kosten van die expediteur in verband met zijn organisatie van het vervoer van de ingevoerde goederen naar het douanegebied van de Unie. Hieruit volgt dat het middel faalt.

3.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt, P.M.F. van Loon, L.F. van Kalmthout en E.F. Faase, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 15 september 2017.