AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Geen recht op eigen naam beroep tegen uitspraak op bezwaar van vof
In deze zaak ging het om een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd aan een vennootschap onder firma (vof) over de jaren 2008 tot en met 2010. Namens de vof was bezwaar gemaakt tegen deze aanslag. De belanghebbende stelde namens de vof beroep in tegen de uitspraak op bezwaar, maar trok dit beroep in. Vervolgens stelde de belanghebbende op eigen naam beroep in tegen dezelfde uitspraak op bezwaar.
De rechtbank verklaarde dit eigen naam beroep niet-ontvankelijk omdat op grond van artikel 26a AWR een belanghebbende niet gerechtigd is om zelfstandig beroep in te stellen tegen een uitspraak op bezwaar die is gedaan naar aanleiding van een bezwaar van een vof. Het hof bevestigde deze uitspraak. De Hoge Raad heeft dit oordeel bekrachtigd en het beroep in cassatie ongegrond verklaard.
De Hoge Raad benadrukte dat volgens artikel 7:1 lid 1 AwbPro eerst bezwaar moet worden gemaakt door degene die beroep wil instellen. Dit betekent dat een belanghebbende niet zelfstandig beroep kan instellen tegen een uitspraak op bezwaar die is gebaseerd op een bezwaar van een andere rechtspersoon zoals een vof.
Er zijn geen proceskosten aan de belanghebbende opgelegd. Het arrest is uitgesproken door de president en vier raadsheren van de Hoge Raad op 15 september 2017.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond en bevestigt dat belanghebbende geen recht heeft op eigen naam beroep tegen de uitspraak op bezwaar van de vof.
Uitspraak
15 september 2017
nr. 16/02713
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X]te [Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenboschvan 15 april 2016, nr. 14/00554, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. AWB 12/5962) betreffende de aan [A] v.o.f. over het tijdvak 1 januari 2008 tot en met 31 december 2010 opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1.Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
2.Beoordeling van de klachten
2.1.
De onderhavige naheffingsaanslag met bijbehorende beschikkingen is opgelegd aan [A] v.o.f. (hierna: de v.o.f.). Namens de v.o.f. heeft [B] bezwaar gemaakt tegen deze naheffingsaanslag. Belanghebbende heeft namens de v.o.f. beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Inspecteur op dat bezwaar (hierna: de uitspraak op bezwaar). Dit beroep is door belanghebbende ingetrokken. Tevens heeft belanghebbende op eigen naam beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar. Dat beroep is door de Rechtbank niet-ontvankelijk verklaard, omdat belanghebbende gelet op artikel 26a AWR niet gerechtigd is beroep in te stellen tegen de uitspraak op bezwaar. Bij de thans in cassatie bestreden uitspraak heeft het Hof de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. Hiertegen richten zich de klachten.
2.2.
De klachten falen reeds omdat een belanghebbende die beroep wil instellen, op grond van artikel 7:1, lid 1, Awb eerst bezwaar dient te maken. Dit betekent dat belanghebbende niet het recht toekwam om op eigen naam beroep in te stellen tegen de uitspraak op bezwaar, die is gedaan op het door de v.o.f. gemaakte bezwaar.
3.Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
4.Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de president M.W.C. Feteris als voorzitter, de vice-president R.J. Koopman, en de raadsheren M.A. Fierstra, Th. Groeneveld en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 15 september 2017.