Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
19 september 2017.
Hoge Raad
De verdachte stelde cassatieberoep in tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin hij werd veroordeeld voor medeplegen van discriminatie in de uitoefening van beroep, specifiek het toepassen van een zogenaamde 'allochtonentaks' bij een discotheek.
De advocaat van de verdachte diende een middel van cassatie in, gericht op onbegrijpelijkheden in de bewijsoverweging van het hof. De Advocaat-Generaal concludeerde dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk moest worden verklaard op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie.
De Hoge Raad oordeelde dat de klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigden omdat de verdachte klaarblijkelijk onvoldoende belang had bij het cassatieberoep en de klachten niet tot cassatie konden leiden. Daarom werd het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en raadsheren in aanwezigheid van de griffier.
Uitkomst: Het cassatieberoep werd niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende belang en ongeschiktheid van de klachten.