ECLI:NL:HR:2017:2402

Hoge Raad

Datum uitspraak
19 september 2017
Publicatiedatum
19 september 2017
Zaaknummer
16/01993
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 408 SvArt. 434 Sv
Verwijzingen
4 uitgaand · 4 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest wegens onduidelijkheid over ondertekende afstandsverklaring en ontvankelijkheid hoger beroep

De zaak betreft het beroep in cassatie van een verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin hij niet-ontvankelijk werd verklaard in hoger beroep wegens het niet tijdig instellen daarvan. Het hof baseerde zich op een akte van uitreiking en een afstandsverklaring die door de verdachte zouden zijn ondertekend, waaruit bleek dat hij op de hoogte was van de terechtzitting.

De verdachte stelde echter dat hij deze documenten niet had ondertekend en dat de handtekeningen op deze stukken niet overeenkwamen met zijn handtekening op andere documenten, waaronder een brief en zijn identiteitskaart. Het hof heeft deze discrepantie zonder nadere motivering genegeerd.

De Hoge Raad oordeelt dat het oordeel van het hof niet zonder meer begrijpelijk is omdat het niet heeft gemotiveerd waarom het de verschillen in handtekeningen buiten beschouwing liet. Hierdoor kan niet worden vastgesteld dat de verdachte tijdig op de hoogte was van de terechtzitting en dat het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard mocht worden.

De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest en wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Amsterdam voor hernieuwde berechting en beslissing.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Amsterdam voor hernieuwde berechting.

Uitspraak

19 september 2017
Strafkamer
nr. S 16/01993
AJ/SSA
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 8 maart 2016, nummer 23/003985-15, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft N. van Schaik, advocaat te Utrecht, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.

2.Beoordeling van het middel

2.1.
Het middel klaagt dat het Hof de verdachte ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in het door hem ingestelde hoger beroep wegens het niet in acht nemen van de termijn van art. 408, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering.
2.2.1.
Bij het bestreden arrest heeft het Hof de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep en daartoe het volgende overwogen:
"Ontvankelijkheid van het ingestelde hoger beroep
De kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Zaandam, heeft bij verstek vonnis gewezen in de onderhavige zaak op 1 september 2015. In het dossier bevindt zich een akte van uitreiking gerechtelijke brief van 7 juli 2015, waarin is vermeld dat de verdachte afstand heeft gedaan van de mogelijkheid ter terechtzitting te verschijnen van de kantonrechter te Zaandam op 1 september 2015. Hieruit blijkt dat de verdachte tevoren bekend was met de dag van de terechtzitting. Nu het hoger beroep namens de verdachte is ingesteld op 28 september 2015 is de termijn van artikel 408, eerste lid, sub c van het Wetboek van Strafvordering niet in acht genomen en dient de verdachte niet-ontvankelijk verklaard te worden in zijn hoger beroep. Redenen die tot een ander oordeel zouden moeten leiden zijn niet gebleken."
2.2.2.
Bij de op de voet van art. 434, eerste lid, Sv aan de Hoge Raad gezonden stukken van het geding bevinden zich:
(i) een akte van uitreiking van de dagvaarding van de verdachte om te verschijnen op de terechtzitting van de Kantonrechter te Zaandam op 1 september 2015, welke inhoudt dat die dagvaarding op 7 juli 2015 is uitgereikt aan de verdachte op zijn detentieadres en onder "Handtekening gedetineerde" is voorzien van een handtekening;
(ii) een afstandsverklaring verschijningsrecht, gedateerd 7 juli 2015, welke inhoudt dat de verdachte afstand doet van de mogelijkheid ter terechtzitting van de Kantonrechter te Zaandam op 1 september 2015 te verschijnen en onder "Handtekening gedetineerde" is voorzien van een handtekening;
(iii) een brief van de verdachte, gedateerd 23 september 2015, ingekomen ter griffie van de Rechtbank Noord-Holland op 28 september 2015, inhoudende:
"Beste rechter,
Ik heb twee weken erbij gekregen van parketnummer 96-101346-15 en uitspraak was 01-09-2015 en hij is onherroepelijk geworden op 16/09/2015 maar ik heb helemaal niks gehoord of gekregen en ik kan als het goed is toch ook in hoger beroep, maar ik heb niks gekregen of gehoord en ze zeggen hierro dat ik heb afgetekend maar ik heb niks afgetekend, en het is mijn handtekening niet eens, dus ik zou graag in hoger beroep willen gaan tegen deze uitspraak, alsnog a.u.b.
Groetjes
[verdachte]."
(iv) een aan het dubbel van de dagvaarding in hoger beroep gehechte ID-staat SKDB van 1 februari 2016, met daarop een scan van een op naam van de verdachte gestelde identiteitskaart, waarop een handtekening is afgebeeld.
2.3.
Art. 408, eerste lid, Sv luidt, voor zover hier van belang:
"Het hoger beroep moet binnen veertien dagen na de einduitspraak worden ingesteld indien:
a. de dagvaarding of oproeping om op de terechtzitting te verschijnen of de aanzegging of oproeping voor de nadere terechtzitting aan de verdachte in persoon is gedaan of betekend;
(...)
c. zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting of van de nadere terechtzitting de verdachte tevoren bekend was."
2.4.1.
Namens de verdachte is in cassatie gesteld dat de dagvaarding om te verschijnen op de terechtzitting in eerste aanleg niet aan hem in persoon is betekend en dat hij niet degene is geweest die de voormelde akte van uitreiking en de voormelde afstandsverklaring heeft ondertekend.
2.4.2.
Het Hof is zonder nadere motivering voorbijgegaan aan de uit de stukken blijkende omstandigheid dat de handtekeningen op de onder (i) en (ii) vermelde akte van uitreiking en afstandsverklaring geen enkele gelijkenis vertonen met de (onderling overeenkomende) handtekeningen op de onder (iii) en (iv) vermelde brief en identiteitskaart. Dit brengt mee dat het oordeel van het Hof dat de verdachte, die in zijn in 2.2.2 onder (iii) opgenomen brief heeft gesteld dat hij geen afstandsverklaring heeft ondertekend, niet-ontvankelijk dient te worden verklaard wegens het niet in acht nemen van de termijn van artikel 408, eerste lid, Sv niet zonder meer begrijpelijk is.
2.5.
Het middel is terecht voorgesteld.

3.Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak;
wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier A.C. ten Klooster, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
19 september 2017.