De verdachte werd bij vonnis van de economische politierechter veroordeeld wegens overtreding van artikel 10.15, eerste lid, van de Telecommunicatiewet en stelde hiertegen hoger beroep in. Het hof verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk omdat het te laat was ingesteld. De verdachte en zijn raadsvrouw voerden aan dat de dagvaarding in eerste aanleg niet correct was betekend, mede vanwege een persoonsverwisseling met een tweelingzus, en dat daardoor het hoger beroep alsnog ontvankelijk moest worden verklaard.
De Hoge Raad overwoog dat de dagvaarding in eerste aanleg aan de verdachte in persoon was betekend, zoals blijkt uit de akte van uitreiking, en dat de termijn voor het instellen van hoger beroep daarom correct was vastgesteld. De stelling dat de dagvaarding aan de tweelingzus was uitgereikt, werd niet onderbouwd met voldoende bewijs. De Hoge Raad verwees naar eerdere arresten waarin twijfel over betekening leidde tot niet-ontvankelijkheid, maar stelde dat die omstandigheden hier niet aanwezig waren.
Daarnaast werd de klacht dat de zaak ten onrechte niet door de economische kamer van het hof was behandeld, verworpen. De Hoge Raad stelde vast dat de economische kamer bevoegd was omdat de zaak een economisch delict betrof en dat de samenstelling van het hof voldeed aan de vereisten. De conclusie van de procureur-generaal strekte tot verwerping van het cassatieberoep.