Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Beslissing
19 september 2017.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep ingesteld door de verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 7 oktober 2015. De zaak draait om medeplegen van voorbereidingshandelingen in het kader van de uitvoer van cocaïne, een strafbaar feit onder de Opiumwet.
Namens de verdachte heeft advocaat R.J. Baumgardt middelen van cassatie voorgesteld. De Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De Hoge Raad heeft vervolgens het beroep verworpen, waarbij is overwogen dat de middelen niet leiden tot cassatie en dat geen nadere motivering noodzakelijk is omdat er geen rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde zijn.
Het arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en V. van den Brink. Het arrest bevestigt de eerdere uitspraak van het hof en sluit het cassatieproces af met een verwerping van het beroep.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte wordt verworpen en de veroordeling blijft in stand.