ECLI:NL:HR:2017:2448

Hoge Raad

Datum uitspraak
22 september 2017
Publicatiedatum
22 september 2017
Zaaknummer
16/04403
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 RO
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt waardering onteigende grond als ruwe bouwgrond bij schadeloosstelling onteigening

In deze zaak stond de waardering van onteigende grond centraal, waarbij de grond als ruwe bouwgrond werd gewaardeerd. De eisers stelden zich op het standpunt dat ook de opstallen die krachtens het overgangsrecht in het bestemmingsplan mochten blijven staan, in de waardering betrokken hadden moeten worden. De rechtbank had echter de waardering beperkt tot de grond zelf, conform de splitsingsmethode zoals vastgesteld in het arrest van de Hoge Raad van 30 juni 2006 (ECLI:NL:HR:2006:AV9438).

De Hoge Raad heeft het cassatieberoep van eisers verworpen. De klachten van eisers konden niet leiden tot cassatie omdat zij geen rechtsvragen opriepen die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling. Tevens werd de matiging van de kosten van de deskundige bevestigd.

De Hoge Raad veroordeelde de eisers in de kosten van het geding in cassatie. Hiermee werd de eerdere uitspraak van de rechtbank bevestigd, waarbij de schadeloosstelling was vastgesteld op basis van de grondwaarde als ruwe bouwgrond zonder toevoeging van de opstallen die volgens het overgangsrecht mochten blijven staan.

Uitkomst: Hoge Raad verwerpt cassatieberoep en bevestigt waardering onteigende grond als ruwe bouwgrond.

Uitspraak

22 september 2017
Eerste Kamer
16/04403
TT/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
1. [eiser 1],
wonende te [woonplaats],
2. [eiser 2],
wonende te [woonplaats],
EISERS tot cassatie,
advocaat: mr. D.Th.J. van der Klei,
t e g e n
GEMEENTE OOSTERHOUT,
zetelende te Oosterhout,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. J.F. de Groot.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] c.s. en de Gemeente.

1.Het geding in feitelijke instantie

Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de vonnissen in de zaak C/02/275959/HA ZA 14-50 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 19 februari 2014, 19 maart 2014, 2 juli 2014 en 15 juni 2016, verbeterd bij herstelvonnis van 3 augustus 2016.
Het vonnis van de rechtbank van 15 juni 2016 is aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen het vonnis van de rechtbank van 15 juni 2016 hebben [eiser] c.s. beroep in cassatie ingesteld.
De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Gemeente heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal W.L. Valk strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van [eiser] c.s. heeft bij brief van 30 juni 2017 op die conclusie gereageerd.

3.Beoordeling van de middelen

De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Gemeente begroot op € 856,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [eiser] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president C.A. Streefkerk als voorzitter en de raadsheren G. Snijders, G. de Groot, T.H. Tanja-van den Broek en M.J. Kroeze, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op
22 september 2017.