Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2017:2456

Hoge Raad

Datum uitspraak
22 september 2017
Publicatiedatum
22 september 2017
Zaaknummer
16/06057
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Pandrecht blijft bestaan ondanks niet meer bestaande vordering bij faillissementsaanvraag

In deze zaak vroeg de pandhouder het faillissement aan van de panddebiteur. De kern van het geschil betrof de vraag of het pandrecht was tenietgegaan omdat de vordering waarop het pandrecht was gevestigd niet langer bestond. De rechtbank Den Haag wees het faillissement toe, hetgeen door het gerechtshof Den Haag werd bevestigd.

De verzoekster stelde cassatie in tegen het arrest van het hof, stellende dat het pandrecht niet langer bestond. De advocaat-generaal adviseerde het cassatieberoep te verwerpen. De Hoge Raad oordeelde dat de klachten van de verzoekster niet tot cassatie konden leiden en dat het pandrecht niet automatisch vervalt indien de onderliggende vordering is verdwenen.

De Hoge Raad wees erop dat op grond van artikel 81 lid 1 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering geen nadere motivering nodig was omdat de klachten niet relevant waren voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling. Het arrest werd gewezen door de raadsheren en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat het pandrecht niet tenietgaat bij het niet meer bestaan van de onderliggende vordering.

Uitspraak

22 september 2017
Eerste Kamer
16/06057
RM/LZ
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[verzoekster],
gevestigd te [vestigingsplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. B.I. Kraaipoel,
t e g e n
[verweerster],
gevestigd te [vestigingsplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [verzoekster] en [verweerster].

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in de zaak C/09/518276/FT RK 16/1996 met insolventienummer C/09/16/460F van de rechtbank Den Haag van 11 oktober 2016;
b. het arrest in de zaak 200.201.608/01 van het gerechtshof Den Haag van 6 december 2016.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [verzoekster] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[verweerster] heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Timmerman strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van [verzoekster] heeft bij brief van 13 juli 2017 op die conclusie gereageerd.

3.Beoordeling van het middel

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, M.V. Polak en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op
22 september 2017.