Uitspraak
gevestigd te [vestigingsplaats],
gevestigd te [vestigingsplaats],
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
22 september 2017.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
In deze zaak vroeg de pandhouder het faillissement aan van de panddebiteur. De kern van het geschil betrof de vraag of het pandrecht was tenietgegaan omdat de vordering waarop het pandrecht was gevestigd niet langer bestond. De rechtbank Den Haag wees het faillissement toe, hetgeen door het gerechtshof Den Haag werd bevestigd.
De verzoekster stelde cassatie in tegen het arrest van het hof, stellende dat het pandrecht niet langer bestond. De advocaat-generaal adviseerde het cassatieberoep te verwerpen. De Hoge Raad oordeelde dat de klachten van de verzoekster niet tot cassatie konden leiden en dat het pandrecht niet automatisch vervalt indien de onderliggende vordering is verdwenen.
De Hoge Raad wees erop dat op grond van artikel 81 lid 1 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering geen nadere motivering nodig was omdat de klachten niet relevant waren voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling. Het arrest werd gewezen door de raadsheren en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat het pandrecht niet tenietgaat bij het niet meer bestaan van de onderliggende vordering.