Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
4.Slotsom
5.Beslissing
26 september 2017.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelt het cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin verdachte werd veroordeeld voor medeplegen en poging tot medeplegen van witwassen in verband met phishingfraude.
Het cassatieberoep is ingesteld door de verdachte en betrof onder meer klachten over het bewijs. De Advocaat-Generaal adviseerde het beroep te verwerpen. De Hoge Raad oordeelt dat het middel niet tot cassatie kan leiden en dat geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde zijn.
Wel constateert de Hoge Raad dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro is overschreden, omdat meer dan twee jaar zijn verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Dit leidt tot een ambtshalve vermindering van de opgelegde gevangenisstraf met zes maanden.
De Hoge Raad vernietigt daarom het bestreden arrest uitsluitend voor wat betreft de duur van de gevangenisstraf en vermindert deze tot vijf maanden en drie weken. Het beroep wordt voor het overige verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep maar vermindert de gevangenisstraf met zes maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.