Conclusie
middelbehelst de klacht dat het onder 2 primair bewezen verklaarde medeplegen van witwassen en de onder 6 subsidiair bewezen verklaarde poging tot het medeplegen van witwassen niet uit de bewijsmiddelen kunnen volgen.
Parket bij de Hoge Raad
De Hoge Raad heeft op 27 juni 2017 het cassatieberoep van de verdachte verworpen tegen het arrest van het gerechtshof Amsterdam dat hem veroordeelde voor medeplegen van witwassen en poging tot medeplegen van witwassen. De zaak betreft een phishingfraude waarbij geldbedragen via verschillende bankrekeningen werden overgeboekt en witgewassen.
Het hof had bewezen verklaard dat verdachte samen met anderen geldbedragen van in totaal €16.750,- en €9.307,- had voorhanden gehad en de herkomst daarvan had verhuld. De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht het bewijs en de betrokkenheid van verdachte had vastgesteld aan de hand van bankafschriften, verklaringen van betrokkenen en fotobewijsconfrontaties. De verdachte speelde een centrale rol bij het oprichten van bedrijven en het openen van bankrekeningen die werden gebruikt voor witwastransacties.
De Hoge Raad ging ook in op de kwalificatie van het misdrijf als phishingfraude, een vorm van oplichting, en stelde dat het niet vereist is dat het precieze misdrijf nauwkeurig wordt aangeduid. De klacht dat het bewijs onvoldoende zou zijn, werd verworpen. Het cassatieberoep faalde en het vonnis werd bevestigd.
Uitkomst: Hoge Raad bevestigt veroordeling verdachte voor medeplegen witwassen en poging tot witwassen met zes maanden gevangenisstraf.