Uitspraak
gevestigd te [vestigingsplaats],
wonende te [woonplaats],
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van de ontvankelijkheid
4.Beslissing
29 september 2017.
Hoge Raad
In deze zaak heeft eiseres beroep in cassatie ingesteld tegen arresten van het gerechtshof Den Haag betreffende een geschil over goederenrecht en erfdienstbaarheid. Verweerder is in cassatie verstek gebleven. De Procureur-Generaal heeft betoogd dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk moet worden verklaard op grond van artikel 80a lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie (Wet RO), omdat eiseres onvoldoende belang bij het beroep heeft.
De Hoge Raad heeft het cassatieberoep inhoudelijk niet behandeld omdat de aangevoerde klachten geen behandeling rechtvaardigen. De klachten leiden klaarblijkelijk niet tot cassatie of eiseres heeft onvoldoende belang bij het beroep. Daarom is het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Eiseres is veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding, die aan de zijde van verweerder op nihil zijn begroot.
De uitspraak betreft een belangrijke toepassing van artikel 80a lid 1 Wet RO, dat bepaalt dat een cassatieberoep niet-ontvankelijk kan worden verklaard indien het beroep geen voldoende belang heeft of de klachten niet tot cassatie kunnen leiden. De zaak betreft onder meer de vraag of een mede-eigenaar van een dienend erf zonder medewerking van andere mede-eigenaren in rechte kan optreden tegen de eigenaar van het heersend erf, maar deze inhoudelijke vraag is in cassatie niet meer behandeld.
Uitkomst: Het cassatieberoep is niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende belang op grond van art. 80a lid 1 Wet RO.