ECLI:NL:HR:2017:2524

Hoge Raad

Datum uitspraak
29 september 2017
Publicatiedatum
29 september 2017
Zaaknummer
17/02372
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Artikel 80a RO-zaken
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a lid 1 Wet ROArt. 3:171 BW
Verwijzingen
5 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens onvoldoende belang bij art. 80a RO

In deze zaak heeft eiseres beroep in cassatie ingesteld tegen arresten van het gerechtshof Den Haag betreffende een geschil over goederenrecht en erfdienstbaarheid. Verweerder is in cassatie verstek gebleven. De Procureur-Generaal heeft betoogd dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk moet worden verklaard op grond van artikel 80a lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie (Wet RO), omdat eiseres onvoldoende belang bij het beroep heeft.

De Hoge Raad heeft het cassatieberoep inhoudelijk niet behandeld omdat de aangevoerde klachten geen behandeling rechtvaardigen. De klachten leiden klaarblijkelijk niet tot cassatie of eiseres heeft onvoldoende belang bij het beroep. Daarom is het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Eiseres is veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding, die aan de zijde van verweerder op nihil zijn begroot.

De uitspraak betreft een belangrijke toepassing van artikel 80a lid 1 Wet RO, dat bepaalt dat een cassatieberoep niet-ontvankelijk kan worden verklaard indien het beroep geen voldoende belang heeft of de klachten niet tot cassatie kunnen leiden. De zaak betreft onder meer de vraag of een mede-eigenaar van een dienend erf zonder medewerking van andere mede-eigenaren in rechte kan optreden tegen de eigenaar van het heersend erf, maar deze inhoudelijke vraag is in cassatie niet meer behandeld.

Uitkomst: Het cassatieberoep is niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende belang op grond van art. 80a lid 1 Wet RO.

Uitspraak

29 september 2017
Eerste Kamer
17/02372
LZ/MD
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[eiseres],
gevestigd te [vestigingsplaats],
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr. D.Th.J. van der Klei,
t e g e n
[verweerder],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiseres] en [verweerder].

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in de zaak C/09/502184/KG ZA 15-1944 van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 3 maart 2016;
b. de arresten in de zaak 200.187.998/01 van het gerechtshof Den Haag van 24 mei 2016 en 2 mei 2017.
De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen de arresten van het hof heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De procesinleiding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen [verweerder] is verstek verleend.
Het standpunt van de Procureur-Generaal strekt tot niet-ontvankelijkheid van [eiseres] in haar cassatieberoep op de voet van art. 80a Wet RO.

3.Beoordeling van de ontvankelijkheid

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden (zie het standpunt van de Procureur-Generaal onder 5-8).
De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a lid 1 RO en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk;
veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, A.H.T. Heisterkamp en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op
29 september 2017.