Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 2 mei 2017
[appellant],
[geïntimeerde]
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
grief Ivoert [appellant] aan dat [geïntimeerde] niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard aangezien hij niet alleen, maar samen met zijn partner [partner] eigenaar is van de woning en het perceel gelegen aan [Weg] 59a te ’s Gravenzande.
Grief IIis gericht tegen de overweging van de voorzieningenrechter dat [appellant] het tuinbouwbedrijf voert. [appellant] voert aan dat het bedrijf wordt gevoerd door de C.V. [appellant] & Zn., zodat [geïntimeerde] ook om die reden niet-ontvankelijk is. Met de
grieven III en VIvoert [appellant] aan dat de voorzieningenrechter ten onrechte is uitgegaan van de erfdienstbaarheid die in 1961 is gevestigd. De voorzieningenrechter had, zo betoogt [appellant], ook rekening moeten houden met de andere erfdienstbaarheden. Met
grief IVbrengt [appellant] naar voren dat de voorzieningenrechter rekening had moeten houden met de verklaringen die zijn gevoegd bij de brief van 20 september 2016, waaruit blijkt dat er sinds jaar en dag met verkeer, breder dan 2,20 meter en zwaarder dan tien ton, gebruik wordt gemaakt van [Laan 1].
Grief Vonderschrijft het in rechtsoverwegingen 4.1 en 4.2 neergelegde oordeel van de voorzieningenrechter. [appellant] voert echter aan dat alle producten afkomstig zijn van percelen ten gunste waarvan de erfdienstbaarheid wel is gevestigd. De
grieven VII en IXzijn gericht tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat van verkrijgende of bevrijdende verjaring geen sprake is. [appellant] voert voorts aan dat de voorzieningenrechter ten onrechte voorbij is gegaan aan het bepaalde in artikel 5:73 lid 2 BW Pro. [appellant] betoogt in haar toelichting op grief IX verder nog dat ten onrechte is geoordeeld dat er geen sprake is van een buurweg of een openbare weg.
Grief VIIIvalt het oordeel van de voorzieningenrechter aan dat de tekst van de akte weinig ruimte laat voor onzekerheid wat betreft de breedte van de weg.
Grief Xis gericht tegen de toewijzing van de vorderingen en het oordeel dat [appellant] zich heeft te houden aan de erfdienstbaarheid, terwijl [appellant] in
grief XIaanvoert dat zij niet is gebaat bij een ingangsdatum van het opgelegde verbod van 1 juni 2016. Met
grief XIIvoert [appellant] aan dat de boete waarnaar de voorzieningenrechter heeft verwezen, is verjaard.
Grief XIIIkomt op tegen de toewijzing van de vordering en de kostenveroordeling. De
grieven XIV en XVzijn gericht tegen de afwijzing van de vordering in reconventie.
latenmaken en dat [appellant] in dit geding niet stelt dat het niet in haar macht ligt om aan die veroordeling te voldoen. Grief II faalt daarom.
- [Laan 1] is niet een openbare weg zoals bedoeld in artikel 4 van Pro de Wegenwet (4.2-4.6);
- de erfdienstbaarheid is niet teniet gegaan door de vestiging van een nieuwe erfdienstbaarheid in 1995 (4.7). [appellant] dient de erfdienstbaarheid onverkort na te leven en het gebruik van [Laan 1] in strijd met de erfdienstbaarheid is onrechtmatig jegens [geïntimeerde] (4.25);
- op [geïntimeerde] rust niet de verplichting om tot verbreding van [Laan 1] over te gaan (4.8);
- de erfdienstbaarheid is niet door verkrijgende of bevrijdende verjaring verruimd (4.9-4.16);
- van een buurweg is geen sprake (4.17-4.21);
- van een noodweg is evenmin sprake (4.22-4.23);
- [geïntimeerde] maakt geen misbruik van zijn eigendomsrecht (4.24);
- ter zake van perceel [kadasternummer 3] is geen erfdienstbaarheid gevestigd. Het is onrechtmatig om [Laan 1] te gebruiken om te komen naar en te gaan van dat perceel (5.25).
Beslissing
- bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 3 maart 2016;
- veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in het principaal hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] tot op heden begroot op € 718,- aan verschotten en € 2.682,- aan salaris advocaat;
- veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in het incidenteel hoger beroep, aan de zijde van [appellant] tot op heden begroot op nihil.