Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
3 oktober 2017.
Hoge Raad
Betrokkene stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden betreffende een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Echter heeft betrokkene geen middelen van cassatie binnen de wettelijke termijn ingediend bij de Hoge Raad, hetgeen een vereiste is volgens artikel 437, tweede lid, in verbinding met artikel 511h van het Wetboek van Strafvordering.
De Advocaat-Generaal concludeerde tot niet-ontvankelijkverklaring van betrokkene in het beroep. De raadsman van betrokkene reageerde schriftelijk op deze conclusie, maar dit leidde niet tot een andere uitkomst.
De Hoge Raad oordeelde dat het ontbreken van tijdige indiening van middelen van cassatie betekent dat betrokkene niet kan worden ontvangen in het beroep. Daarom verklaarde de Hoge Raad betrokkene niet-ontvankelijk in het cassatieberoep. Het arrest werd uitgesproken tijdens een openbare terechtzitting op 3 oktober 2017.
Uitkomst: Betrokkene is niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens het niet tijdig indienen van middelen van cassatie.