Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Beslissing
10 oktober 2017.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag inzake doodslag en poging tot onttrekking van een lijk aan nasporing. De verdachte voerde meerdere klachten aan, waaronder schending van het consultatierecht (Salduz-verweer), onrechtmatigheden rond beslaglegging en schending van artikel 423 Sv Pro.
De Hoge Raad beoordeelde deze klachten en concludeerde dat geen van deze tot cassatie konden leiden. De klachten over het gebruik van een kennelijk leugenachtige verklaring als bewijs, het ontbreken van een beslissing over in beslag genomen goederen, en de afwijzing van verzoeken tot toevoeging van processtukken werden stuk voor stuk verworpen.
De Hoge Raad zag geen noodzaak tot nadere motivering omdat de klachten niet leidden tot rechtsvragen die van belang zijn voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling. Het beroep werd derhalve verworpen en het arrest van het hof bleef in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof blijft ongewijzigd.