Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
10 oktober 2017.
Hoge Raad
De verdachte heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Namens de verdachte is een schriftuur met een middel van cassatie ingediend door zijn raadsman.
De Advocaat-Generaal concludeerde tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte omdat de schriftuur niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn was ingediend. De schriftuur werd pas op 14 februari 2017 ontvangen, terwijl de termijn van twee maanden na betekening van de aanzegging op 12 december 2016 was verstreken.
De Hoge Raad oordeelt dat de wettelijke termijn van art. 437, tweede lid, Sv strikt moet worden nageleefd en dat het niet tijdig indienen van de schriftuur leidt tot niet-ontvankelijkheid van het beroep. De Hoge Raad verklaart de verdachte dan ook niet-ontvankelijk in het beroep.
Uitkomst: Verdachte is niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening van de schriftuur in cassatie.