Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste tot en met het achtste middel
3.Beoordeling van het negende middel
4.Slotsom
5.Beslissing
17 oktober 2017.
Hoge Raad
De verdachte werd in hoger beroep door het Gerechtshof Amsterdam veroordeeld in een mensenhandelzaak. Tegen dit arrest stelde de verdachte beroep in cassatie in. De Hoge Raad oordeelde dat de middelen van cassatie niet tot vernietiging konden leiden, behalve het middel dat betrekking had op de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro.
De Hoge Raad stelde vast dat de stukken te laat door het hof waren ingezonden, wat een schending van het recht op een eerlijk proces betekende. Dit leidde tot een vermindering van de opgelegde gevangenisstraf met zes maanden. De rest van het beroep werd verworpen omdat er geen andere gronden waren voor vernietiging.
Het arrest werd vernietigd voor zover het de duur van de gevangenisstraf betrof en de straf werd verminderd tot vijf maanden en drie weken. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren tijdens een openbare terechtzitting op 17 oktober 2017.
Uitkomst: De gevangenisstraf werd verminderd met zes maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatiefase.