In deze zaak heeft de Hoge Raad op 17 februari 2017 een herstelarrest uitgesproken ter correctie van onvolledigheden in het arrest van 3 februari 2017. De correcties betreffen met name de formulering in de overwegingen over het risicobeginsel bij onbevoegde vertegenwoordiging.
Het arrest verduidelijkt dat het risicobeginsel niet zo ver gaat dat het ook geldt wanneer het vertrouwen van de wederpartij uitsluitend gebaseerd is op verklaringen of gedragingen van de onbevoegd handelende persoon. Daarnaast benadrukt de Hoge Raad dat de rechter feiten of omstandigheden moet vaststellen die de onbevoegd vertegenwoordigde betreffen en die rechtvaardigen dat deze het risico draagt.
Het hof had eerder geoordeeld dat verzoeker gebonden was aan een schikkingsovereenkomst en akte van aandelenoverdracht, omdat een advocaat zich had gepresenteerd als gemachtigd en er geen bewijs was dat de wederpartij hier niet op mocht vertrouwen. De Hoge Raad herstelt de tekst van het arrest om deze overwegingen nauwkeurig weer te geven.
De uitspraak bevestigt het belang van het zorgvuldig toetsen van bevoegdheden bij vertegenwoordiging en het vaststellen van relevante feiten en omstandigheden om het risicobeginsel toe te passen. Hiermee wordt de rechtszekerheid en bescherming van partijen in civiele procedures gewaarborgd.