Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
31 oktober 2017.
Hoge Raad
Betrokkene stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 18 december 2015 inzake een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Echter heeft betrokkene geen middelen van cassatie door een raadsman binnen de wettelijke termijn bij de Hoge Raad ingediend.
De Advocaat-Generaal concludeerde daarop tot niet-ontvankelijkverklaring van betrokkene in het beroep. De Hoge Raad oordeelde dat het voorschrift van artikel 437, tweede lid, in verbinding met artikel 511h van het Wetboek van Strafvordering niet was nageleefd, waardoor betrokkene niet in het beroep kon worden ontvangen.
De Hoge Raad verklaarde betrokkene daarom niet-ontvankelijk in het cassatieberoep. Het arrest werd gewezen door de vice-president en raadsheren, en uitgesproken tijdens een openbare terechtzitting op 31 oktober 2017.
Uitkomst: Betrokkene is niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens het niet tijdig indienen van middelen van cassatie.