Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
4.Slotsom
5.Beslissing
7 november 2017.
Hoge Raad
De verdachte werd door het hof veroordeeld tot 16 dagen gevangenisstraf wegens opzettelijke verkoop van 8 gram hennep, waarbij het hof dit handelen kwalificeerde als een misdrijf op grond van artikel 11, tweede lid, Opiumwet. De Hoge Raad stelt vast dat volgens artikel 11, zesde lid, Opiumwet handelingen met een hoeveelheid hennep van niet meer dan 30 gram, ook bij opzet, niet als misdrijf maar als overtreding moeten worden beschouwd. Hierdoor was de kwalificatie van het hof onjuist en wordt deze gecorrigeerd.
Daarnaast oordeelt de Hoge Raad dat het hof ten onrechte ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie heeft aangenomen in de vordering tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie, omdat deze tenuitvoerlegging reeds onherroepelijk was gelast. De Hoge Raad verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in deze vordering.
Het arrest vernietigt de Hoge Raad gedeeltelijk en wijst de zaak terug naar het hof voor een nieuwe strafoplegging binnen het bestaande hoger beroep. Het beroep wordt voor het overige verworpen. De uitspraak is gewezen door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad op 7 november 2017.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het hofarrest voor kwalificatie en tenuitvoerlegging en verklaart het OM niet-ontvankelijk in de vordering tot tenuitvoerlegging.