ECLI:NL:HR:2017:2825

Hoge Raad

Datum uitspraak
10 november 2017
Publicatiedatum
9 november 2017
Zaaknummer
17/00841
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:35 Wet IB 2001Art. 6:39 Wet IB 2001Art. 5b lid 4 AWR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Waarde van schenking in natura voor giftenaftrek bij handelsverbod luipaardhuid

Belanghebbende en zijn broer schonken in 2014 aan een museum een aantal uit luipaardbont vervaardigde voorwerpen, afkomstig uit de nalatenschap van hun moeder. Deze voorwerpen zijn vervaardigd in Nederland kort na 1964, toen hun vader luipaardhuiden uit Oost-Afrika had meegebracht. Handel in luipaardhuid is verboden.

Het museum kwalificeert als culturele instelling volgens artikel 5b, lid 4, AWR. In geschil was de waarde van de geschonken voorwerpen voor de toepassing van de giftenaftrek onder de Wet IB 2001. Het Hof oordeelde dat de voorwerpen ondanks het handelsverbod een geldelijke waarde hebben en dat belanghebbende de bewijslast draagt voor de hoogte van die waarde. Belanghebbende slaagde er niet in aannemelijk te maken dat de waarde voldoende was voor giftenaftrek.

Belanghebbende stelde in cassatie dat bij afwezigheid van een legale markt de waarde bepaald moet worden aan de hand van de kosten van vervanging via de enige legale manier, namelijk het zelf vervaardigen van de voorwerpen uit huiden van met vergunning geschoten luipaarden. De Hoge Raad verwierp dit en bevestigde dat giften in natura gewaardeerd moeten worden op de waarde in het economische verkeer, conform het stelsel van de Wet IB 2001.

De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep ongegrond en wees proceskostenveroordeling af.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en het oordeel van het Hof bevestigd dat de waarde van de schenking moet worden bepaald op de waarde in het economische verkeer.

Uitspraak

10 november 2017
nr. 17/00841
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Den Haagvan 13 januari 2017, nr. 16/00500, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 16/5116) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2014 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
De Advocaat-Generaal R.E.C.M. Niessen heeft op 12 september 2017 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie (ECLI:NL:PHR:2017:927).
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van de klacht

2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Belanghebbende heeft in 2014, samen met zijn broer, aan een museum een aantal uit luipaardbont vervaardigde voorwerpen geschonken.
De voorwerpen, die in Nederland zijn vervaardigd kort nadat hun vader omstreeks 1964 uit Oost-Afrika twee luipaardhuiden had meegebracht, zijn door hen verkregen uit de nalatenschap van hun moeder, die in 2013 is overleden.
De handel in (voorwerpen van) luipaardhuid is verboden.
2.1.2.
Het museum is een culturele instelling als bedoeld in artikel 5b, lid 4, AWR.
2.1.3.
Voor het Hof was in geschil de waarde van de voorwerpen voor de toepassing van de giftenaftrek van Afdeling 6.9 van de Wet IB 2001.
2.1.4.
Het Hof heeft geoordeeld dat de voorwerpen, ondanks het handelsverbod, een geldelijke waarde hebben en dat op belanghebbende de bewijslast rust van de hoogte daarvan. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat de voorwerpen een zodanige waarde hebben dat hij aanspraak kan maken op enige giftenaftrek, aldus het Hof.
2.2.
Dit oordeel wordt in cassatie bestreden met een klacht, erop neerkomend dat bij afwezigheid van een legale markt voor de voorwerpen, de waarde ervan moet worden bepaald aan de hand van de kosten die verbonden zijn aan de enige legale manier om de voorwerpen te vervangen, te weten: het zelf (laten) vervaardigen van de voorwerpen uit zelf geïmporteerde huid van met vergunning zelf geschoten luipaard.
2.3.
De klacht faalt. Gelet op het stelsel van de Wet IB 2001 is het Hof er terecht van uitgegaan dat giften in natura voor de toepassing van de giftenaftrek uit die wet moeten worden gewaardeerd op de waarde in het economische verkeer. De klacht, die uitgaat van een andere wijze van waardebepaling, faalt reeds daarom.

3.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra, Th. Groeneveld, J. Wortel en A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 10 november 2017.