Uitspraak
1.Geding in cassatie
De Advocaat-Generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het beroep.
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
14 november 2017.
Hoge Raad
In deze zaak betreft het een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag in een strafzaak over de Leerdamse schilderijenroof. De verdachte heeft het beroep in cassatie ingesteld, maar heeft geen middelen van cassatie ingediend binnen de wettelijk gestelde termijn door een raadsman, zoals vereist volgens artikel 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.
De Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het beroep. De Hoge Raad heeft dit advies gevolgd en geoordeeld dat het niet naleven van het voorschrift omtrent het indienen van middelen betekent dat de verdachte niet kan worden ontvangen in het beroep.
Daarom heeft de Hoge Raad de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep. Het arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu en raadsheren Y. Buruma en M.J. Borgers en uitgesproken in een openbare terechtzitting op 14 november 2017.
Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens niet tijdig indienen van middelen door een raadsman.