Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Slotsom
5.Beslissing
14 november 2017.
Hoge Raad
De verdachte werd in hoger beroep veroordeeld voor poging zware mishandeling. In cassatie werd het beroep van de verdachte behandeld door de Hoge Raad. De advocaat-generaal adviseerde tot vernietiging van het arrest van het gerechtshof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, met vermindering daarvan.
De Hoge Raad oordeelde dat de klachten over bewijsuitsluiting en motivering niet slaagden en dat deze geen nadere motivering behoefden. Wel werd geoordeeld dat de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 EVRM Pro in de cassatiefase was overschreden doordat de stukken te laat door het hof waren ingezonden.
Dit leidde tot vermindering van de gevangenisstraf van 252 dagen, waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, naar 244 dagen met dezelfde voorwaarden. Het beroep werd voor het overige verworpen. De uitspraak werd op 14 november 2017 gewezen door de strafkamer van de Hoge Raad.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van 252 naar 244 dagen wegens overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase.