Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Beslissing
14 november 2017.
Hoge Raad
De verdachte stelde cassatieberoep in tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin hij was veroordeeld. Het beroep richtte zich onder meer op de stelling dat sprake zou zijn van een vormverzuim vanwege een onrechtmatige vordering tot identificatie ex art. 2 Wet Pro op de Identificatieplicht en daaropvolgende aanhouding tijdens het voorbereidend onderzoek.
De Hoge Raad oordeelde dat de rechts- en strafmotiveringsklachten falen. De klachten over het vormverzuim worden verworpen omdat zij niet tot cassatie kunnen leiden. Ook de strafmotiveringsklacht faalt, zodat geen nadere motivering nodig is. De Hoge Raad volgt hiermee de conclusie van de Advocaat-Generaal.
Het arrest van de Hoge Raad is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter en de raadsheren A.L.J. van Strien en M.J. Borgers. Het beroep wordt verworpen zonder nadere motivering, omdat de middelen niet leiden tot beantwoording van rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt verworpen wegens falende rechts- en strafmotiveringsklachten.