Belanghebbende exploiteert een groothandel in zeevis met een vergistingsinstallatie waar biogas en digestaat worden geproduceerd. Het Waterschap Vallei & Eem constateerde een discrepantie in vervuilingseenheden en stelde dat belanghebbende grote hoeveelheden digestaat op het riool had geloosd zonder aangifte.
De heffingsambtenaar legde voor 2008, 2009 en 2010 aanslagen zuiveringsheffing op met hogere vervuilingseenheden dan door belanghebbende opgegeven. Het Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelde dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij geen digestaat had geloosd, mede op basis van een rapport van StAB dat stagnaties in het vergistingsproces zou aantonen bij volledige recycling.
De Hoge Raad stelt vast dat het Hof ten onrechte niet is ingegaan op de gemotiveerde stelling van belanghebbende dat de ontwerpwaarde van StAB niet op haar vergister van toepassing is. Hierdoor is het oordeel van het Hof onbegrijpelijk. De Hoge Raad vernietigt het arrest voor zover het de aanslagen 2009 en 2010, de boetes en griffierechten betreft en verwijst de zaak naar het Hof ’s-Hertogenbosch voor nieuwe behandeling.
Daarnaast veroordeelt de Hoge Raad de heffingsambtenaar in de proceskosten van cassatie en gelast vergoeding van het betaalde griffierecht. De beslissing omtrent proceskosten van het Hof blijft in stand.