Uitspraak
wonende te [woonplaats],
DE VOLKSBANK N.V.,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
17 november 2017.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de Hoge Raad op 17 november 2017 het cassatieberoep verworpen dat was ingesteld tegen het arrest van het gerechtshof Den Haag van 18 juli 2017. De zaak betreft een verzoek tot gedwongen schuldregeling op grond van artikel 287a lid 1 van de Faillissementswet (Fw).
De kern van het geschil betrof de vraag of een verklaring als bedoeld in artikel 285 lid Pro 1, onder f, Fw, die niet was afgegeven door een persoon of instantie als bedoeld in artikel 48 lid 1 van Pro de Wet controle accountantsorganisaties (WCK), toch redelijk kon worden toegepast. De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en dat nadere motivering niet nodig was, omdat geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde waren.
De Hoge Raad verwees naar het vonnis van de rechtbank Den Haag van 6 april 2017 en het arrest van het gerechtshof Den Haag van 18 juli 2017, welke aan het arrest zijn gehecht. De verwerping van het cassatieberoep betekent dat het arrest van het hof in stand blijft en dat het verzoek tot gedwongen schuldregeling op de wijze zoals door het hof beoordeeld is afgewezen.
De verwerping werd uitgesproken door de raadsheer T.H. Tanja-van den Broek namens het gerecht, onder voorzitterschap van A.H.T. Heisterkamp en met medewerking van de raadsheren G. Snijders, G. de Groot, C.E. du Perron en M.J. Kroeze.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het arrest van het gerechtshof Den Haag.