Conclusie
( [1] )Van het bestuur van het overkoepelend lichaam maakt deel uit [betrokkene 2], registeraccountant. Er is van de zijde van [verzoeker] aangevoerd dat hij ook bij de namens [verzoeker] aangeboden schuldregeling betrokken is geweest. Verweersters in cassatie (hierna: Geldvoorelkaar en De Volksbank) hebben niet ingestemd met de hen aangeboden regeling inzake de schuld van [verzoeker] aan ieder van hen. In de bij het verzoekschrift gevoegde en door hem ondertekende verklaring als bedoeld in artikel 285 lid 1 sub f Fw Pro verklaart [betrokkene 1] dat er geen reële mogelijkheden zijn dat de verzoeker tot een buitengerechtelijke schuldregeling met zijn crediteuren komt.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
( [2] )
( [3] )
( [4] )
( [5] )
( [6] )bepaald dat een verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling wordt afgewezen indien een poging tot een buiten-gerechtelijke schuldsaneringsregeling niet is uitgevoerd door een persoon of instelling als bedoeld in artikel 48, eerste lid Wck. Deze bepaling is bij de op 1 januari 2008 in werking getreden Wet d.d. 24 mei 2007 tot wijziging van de Faillissementswet in verband met de herziening van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, Stb 2007, nr 192 in artikel 288 lid 2 Fw Pro ingevoegd. De bepaling is in het wetsontwerp opgenomen ten gevolge van een in de Tweede Kamer voorgesteld amendement.
( [7] )Er stak het oogmerk achter dat het wettelijke schuldsaneringstraject niet zou moeten kunnen worden doorlopen dan nadat eerst een buitenwettelijk schuldhulpverleningstraject zou zijn doorlopen, waarbij dan wel gewaarborgd diende te zijn dat geen bijstand zou worden verleend door malafide of ondeskundige schuldhulpbemiddelingsbureaus. Ondanks dat de minister het ingediende amendement in een brief d.d. 27 oktober 2006 aan de Tweede Kamer had ontraden omdat hij de mogelijkheid wilde openlaten voor een minnelijke regeling met behulp van niet beroeps- of bedrijfsmatige personen zoals een buurman, familielid, kerkelijke instelling of werkgever
( [8] ), is het door de Tweede Kamer aangenomen. Tijdens de behandeling van het wetsontwerp in de In de Eerste Kamer heeft de minister eerst in de memorie van antwoord nog gesuggereerd dat door middel van een wijziging van de Recofa-voorwaarden een weg zou kunnen worden geschapen om aan het imperatieve karakter van artikel 288 lid 2 sub Pro Fw te ontsnappen. Hij bracht daarin onder meer het volgende naar voren:
). Ik ben daarom bereid aan het Recofa-bestuur te vragen of zij willen overwegen om in hun richtlijnen – die in 2007 zullen worden aangepast aan de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel – op te nemen dat een schuldenaar niet op grond van artikel 288, tweede lid, onder b, de toegang tot de schuldsaneringsregeling ontzegd zal worden, wanneer uit de aan de rechtbank aangeleverde stukken blijkt dat de schuldenaar een minnelijk schuldhulptraject heeft doorlopen dat qua inspanningen en kwaliteit van hulpverlening hetzelfde niveau heeft als de schuldbemiddeling die wordt verleend door de personen en instellingen die zijn genoemd in artikel 48, eerste lid, onder b en c, van de Wet op het consumentenkrediet. Ik denk dan bijvoorbeeld aan kerkelijke instellingen en de werkgever van de schuldenaar, die personen in dienst hebben die tot taak of mede tot taak hebben op professionele wijze schuldenaren diensten te verlenen die zijn gericht op het treffen van een minnelijke regeling met hun schuldeisers. De strekking van artikel 288, tweede lid, onder b, en de bedoelingen van de indieners van het amendement blijven daarmee overeind.( [9] )
( [11] )In de betreffende zaak was voorafgaande aan een verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling een poging tot het treffen van een buitengerechtelijke schuldregeling gedaan met behulp van een aan een kerkelijke gemeenschap gerelateerde stichting, aan wie geen mandaat door een gemeente was verleend. Met betrekking tot die stichting was gesteld dat zij wel al vijftien jaren in overleg met de aan de gemeente gerelateerde Stadsbank schuldhulp verleent. Het hof wees het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling af mede op grond van het bepaalde in artikel 288 lid Pro 2, sub b Fw, nu bij de buitengerechtelijke schuldregeling niet een instelling of persoon als bedoeld in artikel 48 lid 1 Wck Pro betrokken was geweest. In cassatie wordt aangevoerd dat de afwijzing niet terecht was omdat, nu de stichting al gedurende vijftien jaren met instemming van de gemeente schulphulp aanbiedt, voor een onder artikel 48 lid 1 Wck Pro bevoegde instelling moet worden gehouden. De Hoge Raad wijst het cassatieberoep af en overweegt daartoe onder meer:
( [12] )In de betrokken zaak gaat het om het aan een verzoeker tot toelating tot de schuldsaneringsregeling bieden van hulp bij het treffen van een buitengerechtelijke schuldregeling door een BV, die daartoe niet een mandaat van een gemeente heeft en ook niet een persoon of instelling is als bedoeld in artikel 48 lid 1 Wck Pro. Wel beschikte de BV over een certificaat, waarin verklaard wordt dat zij voldoet aan de NEN 8048-normen inzake schuldhulpverlening. Evenals de rechtbank beslist het hof tot afwijzing van het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsanering op grond van artikel 288 lid 2 sub b Fw Pro. In cassatie wordt betoogd dat deze afwijzing niet terecht is, omdat de BV, nu deze over een NEN 8048-certificaat beschikte, gelijk had moeten worden gesteld met een instelling als in artikel 48 lid 1 Wck Pro. De Hoge Raad verwerpt het beroep en overweegt daartoe onder meer: