Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van de overige middelen
4.Beslissing
21 november 2017.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van de verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag waarin het hof het Openbaar Ministerie ontvankelijk heeft verklaard in de vervolging wegens belaging (art. 285b Sr).
De verdediging stelde dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk was omdat het vervolgingsbeleid onjuist was, onder meer omdat er geen transactie was aangeboden tijdens twee TOM-zittingen. De Advocaat-Generaal vorderde vernietiging van het arrest en niet-ontvankelijkheid van het OM.
Het hof oordeelde dat het OM in redelijkheid tot vervolging kon besluiten, mede gelet op het verloop van het voorgesprek met de reclassering en de belangen van de aangeefster. De Hoge Raad bevestigt dat het hof niet zonder meer de vordering van de Advocaat-Generaal hoeft te volgen en dat niet-ontvankelijkheid slechts in uitzonderlijke gevallen kan worden uitgesproken.
Het beroep wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.
Uitkomst: Het beroep van verdachte wordt verworpen en het OM blijft ontvankelijk in de vervolging wegens belaging.