Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Slotsom
5.Beslissing
21 november 2017.
Hoge Raad
De verdachte werd in hoger beroep door het Gerechtshof 's-Hertogenbosch veroordeeld voor feitelijke leiding geven aan het opzettelijk onjuist of onvolledig doen van aangifte omzetbelasting door een rechtspersoon. Tegen dit arrest stelde de verdachte cassatieberoep in bij de Hoge Raad.
De Hoge Raad onderzocht twee middelen. Het eerste middel werd verworpen zonder nadere motivering omdat het geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling bevatte. Het tweede middel klaagde over overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase, omdat stukken te laat door het hof waren ingezonden en de uitspraak meer dan twee jaar na het instellen van het cassatieberoep werd gedaan.
De Hoge Raad achtte het middel gegrond en constateerde dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM Pro was overschreden. Dit leidde tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van twaalf maanden, waarvan acht maanden voorwaardelijk, naar elf maanden en twee weken, waarvan acht maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.
De rest van het beroep werd verworpen en de Hoge Raad vernietigde het arrest uitsluitend voor wat betreft de strafduur. De uitspraak werd gedaan tijdens een openbare terechtzitting op 21 november 2017.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot elf maanden en twee weken wegens overschrijding van de redelijke termijn.