Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
21 november 2017.
Hoge Raad
Betrokkene heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden inzake een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Echter heeft betrokkene niet binnen de wettelijke termijn door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie ingediend bij de Hoge Raad.
De Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van betrokkene in het beroep. De Hoge Raad heeft dit advies gevolgd en geoordeeld dat het niet indienen van middelen binnen de gestelde termijn betekent dat het beroep niet ontvankelijk is, conform artikel 437, tweede lid, in verbinding met artikel 511h van het Wetboek van Strafvordering.
De Hoge Raad verklaart derhalve betrokkene niet-ontvankelijk in het cassatieberoep. Het arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en V. van den Brink, en uitgesproken in openbare terechtzitting op 21 november 2017.
Uitkomst: Betrokkene is niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens het niet tijdig indienen van middelen van cassatie.