ECLI:NL:PHR:2017:1278

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
3 oktober 2017
Publicatiedatum
21 november 2017
Zaaknummer
15/05204
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 588 SvArt. 437 SvArt. 511h Sv
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring in cassatie wegens niet-indienen middelen in profijtontnemingszaak

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft betrokkene bij uitspraak van 14 oktober 2015 verplicht tot betaling van €17.000 aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Deze ontnemingszaak is verbonden met een strafzaak tegen betrokkene. Betrokkene heeft beroep in cassatie ingesteld bij de Hoge Raad, maar heeft geen schriftuur met cassatiemiddelen ingediend binnen de wettelijke termijn. De aanzegging van het cassatieberoep is rechtsgeldig betekend aan betrokkene en diens raadsman.

Omdat betrokkene niet aan de vereiste procedurele verplichting heeft voldaan door geen middelen in te dienen, kan hij niet in zijn cassatieberoep worden ontvangen. De conclusie van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad is dan ook om betrokkene niet-ontvankelijk te verklaren in het cassatieberoep. Hierdoor blijft de ontnemingsmaatregel van kracht.

De procedure toont het belang van het naleven van formele termijnen en vereisten in cassatieprocedures, vooral in zaken over ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Uitkomst: Betrokkene wordt niet-ontvankelijk verklaard in cassatie wegens het niet indienen van middelen.

Conclusie

Nr. 15/05204 P
Zitting: 3 oktober 2017
Mr. F.W. Bleichrodt
Conclusie inzake:
[betrokkene]
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, heeft bij uitspraak van 14 oktober 2015 de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling van een bedrag van € 17.000,- aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Deze ontnemingszaak hangt samen met de strafzaak tegen de betrokkene (nr. 15/05206), waarin ik vandaag eveneens concludeer.
Namens de betrokkene is beroep in cassatie ingesteld. Er is geen schriftuur ingediend.
De aanzegging in cassatie is op 17 juni 2016 in persoon uitgereikt aan de betrokkene op zijn BRP-adres. Bovendien is op 23 juni 2016 mededeling van de betekening van de aanzegging gedaan aan de raadsman van de betrokkene (mr. B.P. de Boer, advocaat te Amsterdam). Aldus is de aanzegging overeenkomstig art. 588, eerste lid, onder b, sub 1°, Sv rechtsgeldig betekend.
Nu de betrokkene niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is het voorschrift van art. 437, tweede lid, Sv, in verbinding met art. 511h Sv, niet in acht genomen, zodat de betrokkene niet in zijn cassatieberoep kan worden ontvangen.
Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de betrokkene in het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG