ECLI:NL:HR:2017:2984

Hoge Raad

Datum uitspraak
24 november 2017
Publicatiedatum
23 november 2017
Zaaknummer
17/01890
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 56 VWEUArt. 14a Wet bpmArt. 14b Wet bpmArt. 9 Wet bpmArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
13 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging rechtmatigheid BPM-heffing bij tijdelijk gebruik buitenlandse huurauto in Nederland

Belanghebbende, woonachtig in Nederland, gebruikte gedurende enkele maanden een in Duitsland geregistreerde personenauto die zij huurde van een Duitse verhuurder. Voor het gebruik van deze auto op het Nederlandse wegennet betaalde zij BPM op aangifte, waarbij zij een teruggaaf verrekende die overeenkomt met de duur van de huurperiode.

Belanghebbende maakte bezwaar tegen de hoogte van deze BPM-heffing, stellende dat deze in strijd zou zijn met het Unierecht, met name de vrijheid van dienstenverkeer. Het hof stelde echter vast dat de Nederlandse wettelijke regeling, die rekening houdt met de duur van de huurperiode door middel van een teruggaafregeling, niet in strijd is met het EU-recht.

De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en verwijst naar de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie, waarin is vastgesteld dat een lidstaat een registratiebelasting mag heffen op tijdelijk gebruik van een in een andere lidstaat geregistreerd voertuig, mits deze heffing gerechtvaardigd is door dwingende redenen van algemeen belang zoals milieubescherming en het evenredigheidsbeginsel wordt gerespecteerd.

De regeling in de Wet BPM, die de teruggaaf van belasting bij beëindiging van de huurperiode direct verrekent met de verschuldigde BPM, voldoet aan deze criteria. De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt daarmee de rechtmatigheid van de BPM-heffing in dit kader.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt de rechtmatigheid van de BPM-heffing bij tijdelijk gebruik van een buitenlandse huurauto.

Uitspraak

24 november 2017
nr. 17/01890
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof ’s-Hertogenboschvan 17 maart 2017, nr. 16/00057, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. BRE 14/4103) betreffende een door belanghebbende op aangifte voldaan bedrag aan belasting van personenauto’s en motorrijwielen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

2.Beoordeling van de middelen

2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Belanghebbende is woonachtig in Nederland. Gedurende de periode 2 december 2013 tot en met 31 maart 2014 stond haar op grond van een door haar met een in Duitsland gevestigde verhuurder gesloten huurovereenkomst een in Duitsland geregistreerde personenauto (hierna: de auto) ter beschikking.
2.1.2.
Met het oog op het gebruik met de auto in Nederland van de weg in de zin van de Wegenverkeerswet 1994 heeft belanghebbende een bedrag van € 835 aan belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: bpm) op aangifte voldaan. Het op aangifte voldane bedrag heeft belanghebbende berekend met toepassing van artikel 14b, lid 1, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: de Wet) door het ter zake van de aanvang van het gebruik van de weg verschuldigde bedrag aan bpm (€ 10.939) te verminderen met het haar op de voet van artikel 14a van de Wet toekomende bedrag aan teruggaaf van bpm bij het einde van de overeengekomen huurperiode (€ 10.104).
2.1.3.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen het op aangifte voldane bedrag.
2.2.
Het Hof heeft geoordeeld dat de heffing van bpm in het onderhavige geval niet in strijd is met de vrijheid van dienstenverkeer bedoeld in artikel 56 VWEU Pro. Daartoe heeft het Hof onder verwijzing naar rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie overwogen dat ook in een geval van een tijdelijke huurovereenkomst heffing van bpm geoorloofd is, mits bij de berekening ervan rekening wordt gehouden met de duur van de huurovereenkomst van het voertuig of met de duur van het gebruik van het Nederlandse wegennet met het voertuig. De wettelijke regeling voorziet daarin, aldus het Hof, doordat op grond van artikel 14b, lid 1, van de Wet de teruggaaf die op de voet van artikel 14a van de Wet kan worden verleend, direct mag worden verrekend met de verschuldigde belasting, zodat feitelijk slechts een zodanig bedrag aan belasting wordt geheven dat overeenstemt met de duur van de huurovereenkomst.
2.3.1.
Middel I is gericht tegen de hiervoor in 2.2 weergegeven oordelen van het Hof. Het betoogt dat het Unierecht zich ertegen verzet dat een lidstaat – in dit geval Nederland - een in een andere lidstaat geregistreerde personenauto aan een registratiebelasting onderwerpt indien deze personenauto in eerstgenoemde lidstaat is bestemd voor tijdelijk gebruik.
2.3.2.
Middel I faalt. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie volgt dat het een lidstaat is toegestaan een registratiebelasting te heffen ter zake van het gebruik van de weg in die lidstaat door een van zijn ingezetenen met een voertuig dat in een andere lidstaat is geregistreerd en dat voor een periode van enkele maanden van een in een andere lidstaat gevestigde dienstverrichter is gehuurd, mits de heffing wordt gerechtvaardigd door dwingende redenen van algemeen belang en het evenredigheidsbeginsel eerbiedigt (vgl. HvJ 19 september 2017, Commissie/Ierland, C-552/15, ECLI:EU:C:2017:698 (hierna: het arrest C-552/15), punten 72 tot en met 74 en de daarin aangehaalde rechtspraak).
In dit verband heeft het Hof van Justitie geoordeeld dat de bescherming van het milieu een erkende dwingende reden van algemeen belang is en dat een belasting die (mede) afhangt van het niveau van de CO2-uitstoot van voertuigen is gerechtvaardigd omdat deze geschikt is de doelstelling van milieubescherming te verwezenlijken. Indien bij de berekening van een dergelijke belasting rekening wordt gehouden met de looptijd van de huurovereenkomst van het betrokken voertuig of met het gebruik van dit voertuig op het desbetreffende wegennet, is deze belasting, aldus het Hof van Justitie, in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel (vgl. het arrest C-552/15, punten 95 tot en met 97).
2.3.3.
Uit hetgeen hiervoor in 2.3.2 is overwogen moet worden afgeleid dat de heffing van bpm ter zake van de aanvang van het gebruik van de weg in Nederland gerechtvaardigd is indien een Nederlandse ingezetene met een in een andere lidstaat (in dit geval Duitsland) geregistreerde personenauto voor een beperkte tijd gebruik maakt van het Nederlandse wegennet omdat aan de heffing van bpm – waarvan de hoogte op grond van artikel 9 van Pro de Wet afhankelijk is van de mate van CO2-uitstoot van de desbetreffende personenauto – milieudoelstellingen ten grondslag liggen (vgl. Kamerstukken II, 2008/09, 31 704, nr. 3, blz. 14-16, en 2009/10, 32 128, nr. 3, blz. 15).
Voorts is niet voor redelijke twijfel vatbaar dat de – door belanghebbende bij de berekening van de verschuldigde bpm toegepaste - wettelijke regeling, inhoudende dat de teruggaaf van bpm waarop aan het eind van de huurperiode van een niet in Nederland geregistreerde personenauto recht bestaat wanneer de personenauto weer buiten Nederland wordt gebracht, direct bij de aangifte voorafgaand aan de aanvang van het gebruik van de weg in Nederland, wordt verrekend met de op grond van artikel 1, lid 6, van de Wet te betalen bpm, het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel eerbiedigt. De regeling van artikel 14b van de Wet brengt immers mee dat de ter zake van de aanvang van het gebruik van de weg in Nederland verschuldigde bpm evenredig is aan de voorziene gebruiksduur van het Nederlandse wegennet met het voertuig.
2.4.
Middel II kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt, P.M.F. van Loon, M.E. van Hilten en E.F. Faase, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 24 november 2017.