Belanghebbende huurde een in Duitsland geregistreerde auto voor bijna vier maanden en betaalde BPM volgens de Wet BPM. Hij stelde dat de heffing in strijd was met het EU-recht, met name de vrijheid van dienstenverkeer, omdat er geen duurzaam gebruik van de auto in Nederland zou zijn. Het Hof oordeelde dat de wettelijke regeling, met name artikel 14b van de Wet BPM, voorziet in een tijdsevenredige heffing die rekening houdt met de duur van de huurovereenkomst.
Het Hof verwierp de stellingen van belanghebbende dat de heffing zonder rekening te houden met de duur van de huur plaatsvindt of dat de heffing naar rato van de waarde van de auto in strijd zou zijn met het EU-recht. Tevens werd het standpunt verworpen dat de regeling in strijd zou zijn met eerdere jurisprudentie van de Hoge Raad, omdat de wetgever de regeling heeft aangepast.
De Inspecteur had verzuimd tijdig een verweerschrift in te dienen, wat het Hof kwalificeerde als een structureel probleem. Desondanks werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend, en de overige vragen van belanghebbende werden niet behandeld.