Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beslissing
28 november 2017.
Hoge Raad
De betrokkene heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden inzake een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Echter heeft de betrokkene niet binnen de wettelijke termijn door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie ingediend, zoals vereist volgens art. 437, tweede lid, in verbinding met art. 511h Sv.
De Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de betrokkene in het beroep. De Hoge Raad heeft dit advies gevolgd en geoordeeld dat het ontbreken van de middelen leidt tot niet-ontvankelijkheid van het beroep.
De Hoge Raad verklaart daarom de betrokkene niet-ontvankelijk in het cassatieberoep. Het arrest is gewezen door de vice-president en raadsheren van de Strafkamer en uitgesproken tijdens een openbare terechtzitting op 28 november 2017.
Uitkomst: Betrokkene is niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens het niet tijdig indienen van middelen.