Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Beslissing
5 december 2017.
Hoge Raad
De zaak betreft het cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 22 december 2015. Het geschil draait om de afwijzing van het verzoek om twee verbalisanten als getuige te horen en de verwerping van het verweer over onrechtmatige binnentreding tijdens het onderzoek.
Verdachte, vertegenwoordigd door advocaat J.L. Baar, stelde middelen van cassatie voor. De Advocaat-Generaal E.J. Hofstee concludeerde tot verwerping van het beroep. De Hoge Raad oordeelde dat de middelen niet tot cassatie konden leiden en dat nadere motivering niet nodig was omdat geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde waren.
Het arrest werd gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter en de raadsheren V. van den Brink en A.L.J. van Strien. Het beroep werd op 5 december 2017 verworpen, waarmee het arrest van het hof in stand bleef.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt verworpen en het arrest van het Gerechtshof Den Haag blijft in stand.