Conclusie
eerste middelklaagt over de afwijzing door het hof van het verzoek om de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] en de hulpofficier van justitie [betrokkene 1] als getuigen te (doen) horen, meer in het bijzonder dat het hof bij deze afwijzing het noodzakelijkheidscriterium niet zodanig ruim heeft toegepast dat deze in concreto niet wezenlijk zou hebben verschild van wat met de toepassing van het criterium van het verdedigingsbelang zou worden bereikt.
Handhaving van het verzoek tot het horen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] en hulpofficier van justitie [betrokkene 1]
ten tijdevan het binnentreden van het pand aan de [a-straat 1] te Den Haag een machtiging tot binnentreden aanwezig was. Kortom: de vraag of er rechtmatig is binnengetreden.
en[verbalisant 2] nader te laten relateren over de vraag of en zo ja, hoe laat, er een machtiging tot binnentreden ten aanzien van het pand aan de [a-straat 1] te Den Haag is afgegeven. Bovendien is verzocht om beide verbalisanten aan te laten geven op welk tijdstip zij het pand aan de [a-straat 1] te Den Haag zijn binnengetreden.
Enkelverbalisant [verbalisant 2] heeft in een proces-verbaal van bevindingen van 28 september 2015 antwoord gegeven op deze vragen. Hij stelt in dit proces-verbaal onder meer het volgende:
NJ2014/441 m.nt. Borgers heeft de Hoge Raad onder meer overwogen:
tweede middelklaagt over de verwerping van het verweer van de verdediging dat onrechtmatig is binnengetreden in het pand aan de [a-straat 1].