ECLI:NL:HR:2008:BC2721
Hoge Raad
- Cassatie
- D.H. Beukenhorst
- A.M.J. van Buchem-Spapens
- A. Hammerstein
- J.C. van Oven
- W.D.H. Asser
- Rechtspraak.nl
Proceskostenveroordeling mogelijk bij verzoek ex art. 358a Faillissementswet ondanks uitsluiting derde titel Rv.
In deze zaak hebben verzoekers, vennoten van een vennootschap onder firma, na beëindiging van hun schuldsaneringsregeling een verzoek ontvangen tot intrekking van de verleende schone lei. De rechtbank en het hof hebben het verzoek van verweerster toegewezen en verzoekers in de proceskosten veroordeeld. Verzoekers stelden cassatie in tegen de proceskostenveroordeling.
De Hoge Raad bevestigt dat sinds 1 januari 2002 de derde titel van het eerste boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet van toepassing is op verzoeken ingevolge de Faillissementswet. Desondanks oordeelt de Hoge Raad dat dit niet uitsluit dat de rechter op grond van art. 289 Rv Pro. en met overeenkomstige toepassing van art. 362 Rv Pro. een proceskostenveroordeling kan uitspreken in procedures op grond van de Faillissementswet.
De Hoge Raad verwijst naar eerdere rechtspraak waarin werd aangenomen dat ook in verzoekschriftprocedures tot faillietverklaring de in het ongelijk gestelde partij in de kosten kan worden veroordeeld. De specifieke uitsluiting in art. 362 lid Pro 2 F. is ingegeven door de bijzondere rechtsgang in de Faillissementswet, maar bevat geen regeling die proceskostenveroordeling uitsluit.
Het hof mocht daarom verzoekers als in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordelen. Het cassatieberoep wordt verworpen en verzoekers worden veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de proceskostenveroordeling van verzoekers.